Advocaat
De Boelelaan 7
1083 HJ Amsterdam
Nederland
Gsm-nummer: +31 85 782 28 20

Beschikbare
Bestandsformaten

Beschikbare
Bestandsformaten

Contractbeschrijving

€ 150,00  excl. BTW

Deze modelhuurovereenkomst is bedoeld om te worden gebruikt voor de verhuur van een woonboot met een ligplaats. De wet bepaalt niet wat onder ‘woonboot’ en ‘ligplaats’ moet worden verstaan. Een woonboot en een ligplaats vallen in ieder geval letterlijk beschouwd niet onder de definitie van woonruimte ex artikel 7:233 BW (anders dan woonwagens en standplaatsen in de zin van de wet).

De Kantonrechter te Rotterdam oordeelde echter op 3 maart 2009 (Prg. 2009/74) dat een eenpersoonsappartement op een woonschip met een vaste ligplaats kan worden aangemerkt als woonruimte in de zin van artikel 7:233 BW, waarbij uitdrukkelijk is overwogen dat een woonschip geen onroerende zaak is zodat naar de letter van de wet niet wordt voldaan aan de definitie van woonruimte van artikel 7:233 BW (zie ook HR 15 januari 2010, LJN BK9136: een woonark die met de waterstand meebeweegt is een roerende zaak). Toch concludeerde de kantonrechter dat sprake was van woonruimte omdat de vraag of sprake is van een onroerende zaak niet langer als absolute maatstaf zou mogen gelden, gelet op de ontwikkelingen op het gebied van wonen op water. Volgens deze kantonrechter dient daarom gelet te worden op de bedoeling van partijen en op de omstandigheden van het geval. Omdat hier sprake was van ruimte die uitsluitend als woonruimte wordt gebruikt en omdat dit gebruik op nagenoeg geen enkele wijze afwijkt van bewoning van een daadwerkelijke onroerende zaak, is afdeling 5 titel 4 boek 7 BW volgens de kantonrechter op de overeenkomst van toepassing. Hoewel naar aanleiding van deze uitspraak niet langer zeker is dat de (semi-)dwingendrechtelijke bepalingen van de artikelen 7:232 e.v. BW niet van toepassing zijn op woonboten, wordt er op grond van de duidelijke wettekst in bijgaand model nog van uitgegaan dat in beginsel alleen de algemene regels van de artikelen 7:201 tot en met 7:230 en 7:231 BW van toepassing zijn en dat huurders van woonboten/ligplaatsen derhalve geen huurbescherming en/of huurprijsbescherming genieten. Op 21 mei 2013 schreef minister Blok aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2012/13, 32730, nr. 15) dat hij naar aanleiding van het rapport ‘Vaste grond onder de voeten’ over de rechtspositie van waterbewoners met een beleidsreactie zal komen ter verbetering van de rechtspositie van huurders van ligplaatsen. Op 6 maart 2020 diende minister van Veldhoven-van der Meer een wetsvoorstel in tot wijziging van Boek 7 van het BW in verband met het verbeteren van de huurbescherming voor huurders van ligplaatsen (Kamerstukken II 2019/20, 32408, nr. 2). Een belangrijke verbetering is het voorgestelde artikel 7:270b BW, dat de huurder van een ligplaats het recht geeft om bij verkoop van zijn woonboot te bepalen dat de koper de huurovereenkomst voorzet mits hij daarbij een zwaarwegend belang heeft en een belangenafweging tussen partijen ook in het voordeel van de huurder uitvalt. Dit recht ziet niet tevens op eventueel door de huurder mee gehuurde oevergrond. Het voorgestelde overgangsrecht bepaalt dat de nieuwe regeling twee jaar na inwerkingtreding van de wet van toepassing wordt op bestaande huurovereenkomsten. Het model zal worden aangepast wanneer de wet wordt gewijzigd.

Indien de ligplaats in een bepaalde situatie moet worden aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak (vergelijk in dit verband Ktr. Brielle 18 mei 1999, WR 2000/18), dan is artikel 7:230a BW van toepassing op grond waarvan de huurder – kort gezegd – ontruimingsbescherming geniet.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de mogelijkheid tot beëindiging van huurovereenkomsten voor ongebouwde onroerende zaken door opzegging door de verhuurder kan worden beperkt door de eisen van redelijkheid en billijkheid. Weliswaar kan een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd op grond van artikel 7:228 lid 2 BW worden opgezegd, maar in het algemeen wordt geoordeeld dat een dergelijke opzegging in geval van ligplaatsen alleen tot beëindiging leidt, indien er voldoende zwaarwegende belangen aan de zijde van de verhuurder zijn (zie bijvoorbeeld Rb. Utrecht 11 oktober 2000, WR 2001/90). In geval van een huurovereenkomst voor een ligplaats voor een uitwegpontje is geoordeeld dat, mede gezien de lange duur van de overeenkomst en de belangen van de huurder, de verhuurder bij de opzegging een voldoende zwaarwegend belang moet hebben (HR 12 november 2004, WR 2005/23). Ook kan onder omstandigheden strijd met de redelijkheid en billijkheid worden aangenomen indien de verhuurder geen passende financiële tegemoetkoming biedt (zie Rb. Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam 29 juli 2004, WR 2004/282).

 

Updates

Huurovereenkomst voor woonboot en ligplaats
Geactualiseerd op: 25 mei 2020.

Extra informatie

Dit model is gebaseerd op de modelhuurovereenkomst voor woonruimte van Vastgoedcontracten. Mede omdat de verhuur van woonboten/ligplaatsen in beginsel geen verhuur van woonruimte in de zin van de wet betreft (zie daarover hierna meer), zijn de nodige wijzigingen ten opzichte van het woonruimtemodel doorgevoerd. Wel zijn de algemene bepalingen die behoren bij het woonruimtemodel expliciet van toepassing verklaard. In de algemene bepalingen wordt regelmatig verwezen naar artikelen uit de overeenkomst. Aangezien dit model de opbouw van het woonruimtemodel voor woonruimte volgt, zijn de verwijzingen in beginsel juist. Als partijen evenwel een of meer van de artikelen van deze modelovereenkomst voor woonboten/ligplaatsen schrappen, of er een of meer artikelen aan toevoegen, dan dient te worden gecontroleerd of de verwijzingen in de toepasselijke algemene bepalingen naar de tekst van de overeenkomst nog juist zijn.
 

Advocaat
De Boelelaan 7
1083 HJ Amsterdam
Nederland
Gsm-nummer: +31 85 782 28 20

Contactformulier

Wilt u een vraag stellen aan de redacteur? Neem dan contact op via het onderstaande contactformulier.